Op 7 september 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een uitspraak gedaan die belangrijke gevolgen heeft voor bestaande intensieve veehouderijen die gevestigd zijn nabij Natura 2000-gebieden (ABR 201003301/1/R2). Al eerder heeft de Afdeling bestuursrechtspraak beslist dat zowel de oprichting als de uitbreiding of wijziging van een bestaande intensieve veehouderij aangemerkt moet worden als een project dat kan leiden tot een verslechtering of een significante verstoring van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in een beschermd natuurgebied (ABR 31 maart 2010, 200903784/1/R2). Intensieve veehouderijen die willen uitbreiden of hun activiteiten willen wijzigingen, moeten daarvoor toch een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet aanvragen (Nb-vergunning). Ook als die uitbreiding of wijziging alleen gevolgen zou hebben voor de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied.
De Afdeling bestuursrecht interpreteert artikel 19kd Natuurbeschermingswet 1998 naar de letterlijke tekst van die bepaling en niet naar de bedoeling van de wetgever. Met deze (bij de Crisis- en herstelwet ingevoerde) bepaling heeft de wetgever bedoeld om een uitzondering te maken op de vergunningplicht voor gevallen waarin per saldo geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige natuurlijke habitats en habitats voor soorten in een Natura 2000-gebied. Gelet op de tekst van artikel 19kd Natuurbeschermingswet is de Afdeling bestuursrechtspraak van mening dat die bepaling geen uitzondering op de vergunningplicht maakt, maar houdt die bepaling in dat de gevolgen van de stikstofdispositie niet worden betrokken bij het besluit omtrent vergunningverlening. De vergunningplicht is niet vervallen. Een uitzondering op de vergunningplicht is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak bovendien in strijd met de rechtszekerheid, omdat niet zonder voorafgaand onderzoek objectief kan worden vastgesteld of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 19kd Natuurbeschermingswet 1998 wordt voldaan. Een inhoudelijke beoordeling van de stikstofdispositie moet plaatsvinden bij de besluitvorming omtrent de Nb-vergunning.
Verder oordeelt de Afdeling dat artikel 19kd Natuurbeschermingswet 1998 geen correcte implementatie inhoudt van de verplichtingen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Aan de in artikel 19kd Natuurbeschermingswet 1998 genoemde referentiedatum van 7 december 2004 kan niet worden vastgehouden voor wat betreft natuurgebieden die vóór deze datum (als speciale beschermingszone) onder de Vogelrichtlijn zijn aangewezen. Als referentiedatum voor Vogelrichtlijngebieden, die zijn aangewezen vóór 7 december 2004, geldt de situatie waarvoor krachtens de Hinderwet of Wet milieubeheer een melding is gedaan of een milieuvergunning is aangevraagd op de datum waarop de aanwijzing van het betreffende Vogelrichtlijngebied van kracht is geworden.
Bestaande intensieve veehouderijen die zijn gesitueerd in de nabijheid van Natura 2000-gebieden en die willen uitbreiden of hun activiteiten willen wijzigen, moeten derhalve ook een Nb-vergunning aanvragen als alleen de stikstofdepositie het schadelijke effect kan zijn. De vergunningaanvraag kan dan niet alleen betrekking hebben op de uitbreiding of wijziging van het bedrijf maar moet betrekking hebben op de exploitatie van het gehele bedrijf na wijziging of uitbreiding. Daarbij moet er goed op worden gelet dat de juiste referentiedatum wordt gehanteerd.
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak is terug te vinden op www.raadvanstate.nl